Nieuwsbericht 10 juli 2019


Rentekoop

In de middeleeuwen kon men geen geld lenen op de manier zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is. Rente vragen was namelijk van oudsher vanuit de katholieke kerk verboden en werd beschouwd als woeker. Maar ook Maarten Luther was fel tegen rente gekant en vond dat rente vragen gelijkstond met diefstal. Calvijn vond dat men met rente om moest gaan als een apotheker met gif.
Karel de Grote heeft in het jaar 789 een algeheel renteverbod uitgevaardigd. Dit renteverbod is door de Synode van Aken in datzelfde jaar bevestigd.

Geld lenen of investeren was onder deze omstandigheden onmogelijk, maar door de lening voor te stellen als rentekoop konden de bezwaren omzeild worden.

Bij een rentekoop verkocht de renteverkoper een periodieke en eeuwigdurende betaling van een vastgelegde som geld (of de levering van een bepaalde hoeveelheid goederen, meestal graan) aan de rentekoper voor een bepaalde som, de koopsom. De renteverkoper bracht als garantie van de betaling een welomschreven onroerend goed in.

De rentekoper is dus feitelijk de kredietverstrekker en de renteverkoper is de lener. Op deze manier konden kloosters bij de kredietverstrekking een grote en profijtelijke rol spelen.

Als de renteverkoper in gebreke bleef met zijn betalingen kon de koper hem niet dwingen het geleende kapitaal terug te betalen, maar hij kon door de gerechtelijke instanties beslag laten leggen op de roerende goederen om de rente te recupereren. Indien dit niet volstond kon de koper ook beslag laten leggen op het onroerend goed dat als garantie in het koopcontract was ingeschreven.

Nemen we als voorbeeld deze akte (uit archief van Sint Anthony Groote Broederschap NLĀ­ZuRAZĀ­0084):

Steven de Boese, scholt te Zutphen binnen en buiten, oorkondt, dat Egbert Hissynck en Leisken, zijn vrouw, en  Henrick zijn oudste zoon, een jaarrente van 4 molder winterrogge, zutphense maat, gaande uit het goed ten Stroede, gelegen in het kerspel Voirden buurschap Linden bij de Moderbonck, verkocht hebben aan Gerit  Ruether de jonge en Lamme, zijn vrouw  en dat de onmondige kinderen uit het eerste huwelijk van Egbert  voornoemd deze overdracht van kracht zullen laten


In huidige bewoordingen:
Egbert Hissynck en zijn vrouw Leisken hebben geld geleend van Gerrit en Lamme, waarvoor zij jaarlijks een rente betalen van 4 molder winterrogge. Als onderpand dient hun goed "ten Stroede".

Opmerkingen:
  • Als de rente eeuwigdurend was ging de verplichting over op de erfgenamen. Dat is hier ook het geval.
  • Opvallend is wel dat het geleende bedrag nooit in de aktes genoemd werd, maar we kunnen er van uit gaan dat een vergoeding van rond de 5 procent redelijk gevonden werd.
  • Een molder is een oude inhoudsmaat en staat gelijk aan circa 125 liter. Vier molder rogge vertegenwoordigt een aanzienlijk bedrag als we weten dat het jaarloon van een landarbeider circa 10 liter tarwe bedroeg.



Uw reactie

We hebben veel last van spam machines die dit formulier met onzin invullen; vandaar de eerste vraag.

Wat staat hier?
Naam :
Reactie :
Als u uw emailadres invult krijgt u meestal binnen enkele dagen een antwoord terug. Dit adres zal niet zichtbaar zijn bij uw reactie op de website.
Emailadres :


Reacties op nieuwsberichten verschijnen meteen zichtbaar onder het betreffende nieuwsbericht. Uw reactie mag maximaal 500 karakters bevatten.
U kunt uw emailadres invullen als u een persoonlijk antwoord van mij verwacht; dit adres verschijnt NIET bij uw reactie op de website.